In dit hoofdstuk maken we kennis met de programmeertaal COBOL. We beginnen met enkele zeer bruikbare opdrachten (Engels: statements). Het zijn basisopdrachten waarmee een programmeur meteen al goed uit de voeten kan, zelfs al zullen we in dit eerste hoofdstuk lang niet alles van die opdrachten kunnen bespreken.
Een COBOL-programma bestaat niet alleen uit statements. De overige elementen bewaren we voor hoofdstuk 2. Pas daarna kunnen we een compleet programma schrijven.
In dit hoofdstuk bekijken we de eenvoudigste vormen van invoer en uitvoer en maken we eenvoudige berekeningen. Daarna houden we ons bezig met selectie en herhaling.
Elke opdracht in COBOL begint met een kernwoord. In dit hoofdstuk zijn de kernwoorden: accept, display, compute, if en perform. In COBOL heet zo'n kernwoord een verb. Letterlijk vertaald betekent verb werkwoord. Meestal is het ook een werkwoord, maar niet altijd. Zo is if geen werkwoord, maar toch heet het in COBOL een verb.
Hoofdstuk 1 De eerste opdrachten