Met de accept-opdracht krijgt een variabele een waarde. Die waarde komt van buiten het programma. Na het woord accept staat de naam van een variabele.
De display-opdracht zorgt voor gegevensuitvoer vanuit het programma. Na het woord display mag een combinatie komen van namen van variabelen en tekstconstanten. De tekstconstanten zijn begrensd door aanhalingstekens, die niet bij de tekst horen.
Met de compute-opdracht krijgt een variabele een waarde. Die waarde komt vanuit het programma zelf. Hij wordt berekend uit een formule. Die formule bestaat uit een of meer variabelen en/of een of meer getallen. In de formule kunnen bewerkingen voorkomen. Deze bewerkingen worden in een vaste volgorde uitgevoerd: machtsverheffen, delen/vermenigvuldigen, aftrekken/optellen. De standaardvolgorde kunnen we doorbreken met haakjes. Wat tussen haakjes staat gaat voor.
Voor het coderen van de selectiestructuur beschikt COBOL over de if-opdracht. Na het woord if staat een voorwaarde in de vorm van een vergelijking. De voorwaarde kan waar zijn of onwaar. Als de voorwaarde waar is, dan voert de computer de opdracht(en) uit die na then zijn geschreven. Is de voorwaarde onwaar, dan voert de computer de opdracht(en) uit die tussen else en end-if staan geschreven. Else mag wegblijven als er geen opdrachten nodig zijn als de voorwaarde onwaar is. End-if sluit dan de reeks opdrachten na then af.
Voor het coderen van herhalingen beschikt COBOL over de perform-opdracht. In dit hoofdstuk bekeken we de vorm met de test achteraf (with test after). Dat betekent dat de opdrachten die deel uitmaken van de herhaling minstens eenmaal worden uitgevoerd. De besturing van de herhaling gebeurt door middel van een voorwaarde achter het woord until. Als de voorwaarde waar is geworden, dan stopt de computer met het uitvoeren van de herhaling. Hij gaat dan verder met de opdrachten die na end-perform zijn geschreven.
Hoofdstuk 1 De eerste opdrachten