In een bedrijf laat men de computeruitvoer op de printer altijd vooraf gaan door een pagina waarop het logo van het bedrijf wordt afgedrukt. Dat beeldmerk is opgebouwd uit punten, plusjes en X'en.
Er bestaat een apart programma dat die pagina op de printer afdrukt. In elk programma dat uitvoer op printer geeft, staat een aanroep van het programma logo.
illustratie: Geert Nijmolen
Voor het aanroepen van een programma bestaat in COBOL een aparte opdracht, de call-opdracht.
call "logo"
Logo is hier de naam van het subprogramma.
onthoud
Als een subprogramma een COBOL-programma is, dan is de naam in de paragraaf program-id de naam die we noemen in de call-opdracht. Het is mogelijk om een programma aan te roepen dat niet in COBOL is geschreven. De fabrikant bepaalt dan de wijze van naamgeving.
Op het moment dat er een call-opdracht in een programma aan de beurt is, komen de opdrachten van het genoemde subprogramma in uitvoering. Als het subprogramma klaar is, zal het meestal de besturing weer teruggeven aan het aanroepende programma. Dat hoofdprogramma gaat dan verder met de opdrachten die na de call-opdracht staan.
Na call staat meestal een constante. Die constante moet alfanumeriek zijn. Er kan ook een variabelenaam staan. De genoemde variabele moet dan de naam van het subprogramma bevatten. In de data division staat bij voorbeeld:
01 subprogrammanaam pic x(30).
In het aanroepende programma kan dan voorkomen:
move "logo" to subprogrammanaam call subprogrammanaam
Een toepassing hiervan staat in opgave 1 van hoofdstuk 9 in het werkboek. In de overige paragrafen van dit hoofdstuk staat altijd een alfanumerieke constante, dus met aanhalingstekens rondom de naam.