In deel I van Tijd voor COBOL staan twee hoofdstukken over het werken met bestanden. Maar die hoofdstukken behandelden slechts een deel van de hele stof over bestanden. Vandaar dit hoofdstuk. We bekijken zaken die zijn blijven liggen. Het is voorstelbaar dat de lezer niet meer precies alle details van het werken met bestanden in het hoofd heeft. Een verstandig advies is dus waarschijnlijk: herhaal allereerst hoofdstuk 5 en hoofdstuk 8 uit deel I. In dit hoofdstuk wordt die stof bekend verondersteld!
In de eerste paragraaf bekijken we de record-clausule bij de bestandsbesturing.
Met deze clausule leggen we het aantal posities vast voor een bestand met
vaste recordlengte of het minimum- en maximumaantal bij variabele recordlengte.
Daarna volgen drie paragrafen over het werken met een afdrukbestand.
Een belangrijk hulpmiddel bij het werken met bestanden vormt het statusveld. Dit veld speelt een belangrijke rol in een apart gedeelte van een COBOL-programma: declaratives.
De paragrafen over padding, record delimiter, buffers, same area en same record area zouden misschien ook wel in hoofdstuk 15 passen. Het zijn namelijk uitzonderlijke bijzonderheden. De noodzaak om ze te gebruiken zal zich niet al te vaak voordoen.
Het principe van de indextabellen bij de geïndiceerd sequentiële bestandsorganisatie hoeft niet beperkt te blijven tot slechts een enkele sleutel. In dit hoofdstuk bekijken we alternatieve sleutelvelden en de consequenties op de bestandsopdrachten.
Na de sequentiële en de indexed bestandsorganisatie uit deel I, leren we in dit hoofdstuk de relatieve organisatie kennen. Daarmee zijn alle drie de organisatievormen behandeld.
Het hoofdstuk wordt besloten met verhandelingen over vaste kenmerken van bestanden en de opdrachten open en close.
Hoofdstuk 14 Meer over bestanden