De recordlengte van een bestand kunnen we aangeven via de recordbeschrijvingen en bovendien in enkele clausules van de bestandbeschrijving. Indien de computer de variabele recordlengte niet uit de recordbeschrijving kan afleiden, is de clausule record is varying de enig mogelijke manier.
Bij sommige printers zijn bepaalde regelhoogtes als vastgestelde plaatsen ingesteld. De implementor moet aan die regelhoogtes een implementor-naam hebben gegeven, willen we ze in een programma kunnen gebruiken.
De advancing-optie bij het afdrukken op een printerbestand kent zowel after als before.
De linage-clausule kunnen we uitbreiden met een footing-gedeelte. In een write-opdracht kunnen we met end-of-page bepalen of we in het footing-gebied zijn beland.
Bij de uitvoering van een invoer/uitvoer-opdracht plaatst de computer een resultaatcode in een eventueel aanwezig statusveld. Een statusveld moet alfanumeriek zijn en twee posities groot.
Om de computer erop voor te bereiden dat een bestand misschien niet aanwezig is, coderen we na select het woord optional.
Het declaratives-gedeelte van een programma biedt de mogelijkheid te reageren op foutsituaties met betrekking tot bestanden. Het declaratives-gedeelte moet een losstaand gedeelte zijn in een programma. Het bevindt zich meteen na de woorden procedure division. Omdat in het declaratives-gedeelte sections verplicht zijn, moeten we ook in de rest van programma sections gebruiken.
Bij een sequentieel bestand kunnen we een eigen padding-teken bepalen. De computer gebruikt het voor het opvullen van een blok. Verder hebben we enige invloed op de manier waarop variabele records worden gescheiden, de record delimiter.
Same area en same record area zijn tamelijk verouderde taalelementen om bestanden een stuk geheugen te laten delen.
Naast de primaire sleutel kan de computer bij een indexed bestand ook indexen voor andere sleutels bijhouden. Deze alternatieve sleutels mogen, als we dat wensen, synoniemen bevatten. Ook een alternatieve sleutel moet alfanumeriek zijn en in het record van het indexed bestand zijn beschreven. In de directe lees-opdracht en in en de start-opdracht kunnen we vermelden welke sleutel we gebruiken. Bij de sequentiële lees-opdracht leest de computer verder in volgorde van de laatst gebruikte sleutel.
Bij een relatief bestand is er een rechtstreeks verband tussen de sleutel van een record en de plaats (volgnummer) in het bestand. Dat gebied is leeg als er geen record bestaat met het desbetreffende nummer. Een sleutelveld van een relatief bestand moet een numeriek veld zijn dat alleen gehele getallen kan bevatten. Het mag niet in een record van het relatieve bestand zitten. In gebruik lijkt een relatief bestand op een indexed bestand.
Vaste kenmerken van een bestand worden bij de creatie bepaald en blijven ongewijzigd. Bij het beschrijven van een bestand moeten we met de vaste kenmerken rekening houden.
De open- en de close-opdracht hebben enige, weinig gebruikte, extra faciliteiten.
Hoofdstuk 14 Meer over bestanden