Een vervolgregel heeft een streepje in kolom 7. Het biedt de mogelijkheid om een taalelement af te breken. De regels voor het afbreken zijn verschillend voor alfanumerieke constanten en alle overige taalelementen.
De letter P in de picture-string geeft een verschuiving aan van de decimaal. P's kunnen alleen vooraan of achteraan voorkomen. Posities met een P kosten geen opslagruimte in het geheugen.
De letter A in de picture-string duidt een alfabetische positie aan. Omdat het weinig voordeel biedt om een veld met A's te beschrijven, is het gebruikelijk ook voor een alfabetische positie het teken X te kiezen.
Niet unieke namen zijn in COBOL toegestaan op voorwaarde dat ze bij gebruik uniek te maken zijn via qualification. Een toepassing van niet-unieke namen vinden we bij de corresponding-optie bij move, add en subtract.
De usage-clausule bepaalt de interne notatie van variabelen. De standaardmanier heet usage display. Voor getallen bestaan nog de usages binary, packed-decimal en computational.
De clausule synchronized heeft invloed op de byte-grens van een veld. De werking is sterk bepaald door de gebruikte apparatuur.
Met renames is het mogelijk een veld of een aaneengesloten groep velden een andere naam te geven.
Met de sign-clausule kunnen we bepalen of het teken van een veld vooraan of achteraan wordt bijgehouden en of dat teken een afzonderlijke byte in het geheugen moet beslaan.
Een sentence is een reeks van een of meer opdrachten die wordt afgesloten met een punt. Een punt fungeert als afsluiter van alle statements die nog niet zijn afgesloten. In een verouderde vorm van de opdrachten if en search komt de frase next sentence voor. We kunnen deze frase niet gebruiken als we de opdracht afsluiten met end-if en end-search.
De thru-optie in de perform-opdracht biedt de mogelijkheid om een reeks van sections en/of paragrafen uit te voeren.
Bij de huidige stand van het programmeren is de go-to-opdracht zelden meer nodig. We kunnen de uitvoering van het programma bij een op te geven paragraaf of section vervolgen.
Exit is een loze opdracht die als eneige opdracht in een paragraaf moet staan. Een toepassing ligt in het creëren van een gemeenschappelijk eindpunt van een aantal bewerkingen.
De tekenvoorwaarde gebruikt de woorden positive, zero en negative om te zien of een variabele groter dan, gelijk aan, of kleiner dan nul is.
Hoofdstuk 15 Uitzonderlijke bijzonderheden