Programma's kunnen na elkaar of binnen elkaar als eenheid aan de compiler worden aangeboden. Bij zulke programma's moet het eind zijn aangegeven met end program, gevolgd door de naam van het programma.
Een binnenprogramma mag alleen door het direct omvattende programma worden aangeroepen, tenzij het is benoemd als common programma. In dat geval mogen programma's van gelijk niveau en de daarbinnen liggende programma's het eveneens aanroepen.
Een bestand, record, of use-sentence die met global is beschreven, kan zonder benoeming door binnengelegen programma's worden gebruikt.
Een bestand of een record in de working-storage section kan external zijn. Het behoort dan niet bij een programma, maar bij de verzameling programa's, de run unit. Elk programma moet het bestand of record als external benoemen om het te kunnen gebruiken.
Hoofdstuk 17 Twee of meer programma's